Algemene richtlijnen voor VVT Tuindorp

       (vastgesteld op 15 november 2019)


Toelichting
Deze algemene richtlijnen hebben betrekking op het onderhoud door de huurder van de volkstuin en directe omgeving en op het gebruik ervan. Deze algemene richtlijnen dienen in samenhang te worden gelezen met de voorschriften van het huishoudelijk reglement (hierna genoemd: HHR). 

Artikel 1  Nummering van de tuinen
Iedere tuin heeft een nummer. Grote (samengevoegde) tuinen hebben meerdere nummers, deze nummers moeten zo geplaatst zijn dat ze vanaf het pad zichtbaar zijn.

Artikel 2  Onderhoud paden
Tussen het pad, waarvan de bermen door de vereniging gemaaid worden en dat twee meter breed is, en de tuinafscheiding moet 20 cm. grond ‘zwart’ gehouden worden, dat wil zeggen vrij van beplanting en onkruiden. In deze strook zijn laagbloeiende bloemen wel toegestaan.

Artikel 3  Windkeringen en tuinafscheidingen
Windkeringen of tuinafscheidingen mogen bestaan uit: gaas, houten hekwerk of uit een natuurlijke begroeiing. 
De hoogte van windkeringen en tuinafscheidingen is maximaal 100 cm; deze maximale hoogte is eveneens van toepassing op tuinafscheidingen langs de paden. Geheel dichte windkeringen en tuinafscheidingen zijn niet toegestaan.
Van bovenstaande bepalingen kan worden afgeweken tot een hoogte van 1,80 meter en over een lengte van ten hoogste 3,60 meter, gerekend vanaf de achtergrens van de tuin.
Het plaatsen van de windkeringen en tuinafscheidingen dient te gebeuren in overleg met de aangrenzende tuinders; dit geldt in het algemeen voor de toegestane afwijking van de hoogte en de afstand tot de rooilijnen. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt beslist het bestuur. 
Bij een windsingel, pad, sloot en bij de tuinafscheiding aan de kopse kanten van twee
aangrenzende tuinen beslist het bestuur welke hierbij altijd rekening dient te houden dat er geen hinder kan bestaan voor aangrenzende tuinders.

Artikel 4  Onderhoud van de tuin
Tuinen die in huur zijn toegewezen dienen vóór 1 mei te zijn omgespit, geploegd of gefraisd en bewerkt te zijn; al het vuil dat daar aanwezig dient te worden vernietigd of verwijderd.
Deze werkzaamheden mogen niet tot overlast leiden voor de omgeving. Indien de huurder door ziekte en/of door andere zwaarwegende redenen hiertoe niet in staat is, dan dient hij/zij dit tijdig door te geven aan het bestuur (secretariaat). Onkruid, dat zaad kan produceren mag niet tot bloei komen, vóór dat tijdstip moet het worden vernietigd.

Artikel 5  Geen verbranding
Het is verboden op de tuin of op het tuinencomplex loof, hout en/of andere afvalstoffen te verbranden of anderszins vuur aan te leggen of te stoken.

Artikel 6   Onderhoud buiten de tuin
Sloten, paden en windsingels worden door de tuinders onderhouden. 
Het onderhoud van de zogenoemde takkensingel is voor de verantwoordelijkheid van de direct aangrenzende tuinder. De takkensingel mag slechts gebruikt worden voor de opslag van takken en snoeiafval, maar niet voor de opslag van ander (tuin)afval. De hoogte van de takkensingel mag niet meer dan 1,50 meter bedragen.
Het snoeien, kappen of rooien van bomen is niet toegestaan. Deze werkzaamheden worden door of in opdracht van het bestuur uitgevoerd. Het bestuur controleert dit gedurende het gehele jaar.

Per 15 april en 15 november wordt de staat van onderhoud van de sloten gecontroleerd, zoals vermeld in artikel 6.2 lid 2 HHR. 

Artikel 7  Bouwsels op de tuin
Alle bebouwingen moeten met een situatietekening worden aangegeven en altijd bij het bestuur worden aangevraagd. Na een schriftelijke toestemming mag pas worden begonnen met bouwen.
Op tuinen kleiner dan 150 m² mag geen bebouwing worden geplaatst.

Op tuinen groter dan 150 m² mag niet meer dan één schuurtje of huisje geplaatst worden. 
De grondoppervlakte van een schuurtje of tuinhuisje mag niet meer dan 16 m² bedragen. De goot- of boeiinghoogte is 1,80 meter resp. 2,30 meter. De nokhoogte mag niet meer zijn dan drie  meter, en bij een oppervlakte van 6 m² mag de nokhoogte niet meer bedragen dan 2,50 meter.

De grondoppervlakte van een kas mag niet meer dan 16 m² zijn, en de goot- of boeiinghoogte 1,50 meter resp. 2,00 meter. De nokhoogte mag niet meer dan 3 meter zijn; hierbij geldt tevens dat er niet meer dan één kas per tuin mag staan.

De oppervlakte van een broeibak mag niet meer dan 12 m² zijn en de hoogte niet meer dan 100 cm.

De lengte, breedte en hoogte van een gereedschapskist mag niet meer bedragen dan respectievelijk 2, 1 en 1 meter.

De oppervlakte van bouwwerken voor het houden van pluimvee en/of konijnen mag niet groter zijn dan 3 m² en de hoogte niet meer dan 150 cm.

De compostbak dient tenminste 50 centimeter uit de erfgrens geplaatst te worden.

De bebouwingen mogen slechts van deugdelijk materiaal worden gemaakt en moeten qua vorm, kleur en onderhoud tot genoegdoening van het bestuur zijn.

Artikel 8  Slotbepalingen
Indien deze algemene richtlijnen door de huurder van de tuin niet juist worden toegepast en/of worden uitgevoerd, dan kan het bestuur (straf)maatregelen uitvaardigen. Deze (straf)maatregelen zijn beschreven in artikel 6.2 lid 9 HHR. 

Het bestuur beslist in die gevallen waarin deze richtlijnen niet voorzien.
Het bestuur beslist eveneens ingeval van een verschil in opvatting of bij onduidelijkheid over de uitleg of de toepassing van deze richtlijnen.
Bij de beroepscommissie (artikel 14 lid 2 HHR) kan beroep worden ingediend tegen het besluit van het bestuur van de vereniging, indien men niet met het bestuur tot overeenstemming kan komen over een geschil over de toepassing van deze algemene richtlijnen. 

Deze algemene richtlijnen zijn vastgesteld in de algemene vergadering van de vereniging 
15 november 2019; zij zijn van toepassing vanaf 1 januari 2020.

-----OOOOO-----